“Met Herman” “Goedendag, u spreekt met Jefland. Ik heb uw telefoonnummer gekregen van mevrouw Netjes, hoofd facilitaire dienst van Oma’s Oude Woning. Klopt het dat u inboedel ophaalt? Mijn oma is verhuisd en het huis moet volgende week leeg en opgeleverd zijn.” “Ja, dat gaat wel lukken. Ik ga maandag of dinsdag even langs met mevrouw Netjes om te kijken, en dan haal ik de boel leeg.”
“Met mevrouw Netjes” “Dag mevrouw Netjes, u spreekt met Jefland. Herman komt maandag of dinsdag langs. Als hij dinsdagmiddag nog niet geweest is, kunt u mij dan even bellen?”
“Met mevrouw Netjes” “Nou, Herman is niet langs geweest hoor.” “Ik ga hem even bellen.”
“Met Herman” “Goedendag, u spreekt weer met Jefland. U zou gisteren of vandaag langsgaan bij Oma’s Oude Woning om de boel leeg te halen, maar u bent niet geweest.” “... Oh, ehhh… Ik had verwacht dat u terug zou bellen dat het goed was. Ik kom donderdag wel om acht uur langs om de boel leeg te halen.” “Ja maar de woning moet vrijdag leeg zijn!” “Geen probleem.”
“Met mevrouw Netjes” “Dag mevrouw Netjes, dit is Jefland weer. Het is nu donderdagochtend, tien voor negen. Is Herman nog langs geweest?” “Nee, het spijt me, niemand gezien.”
“Met Herman” “Met Jefland. U zou om acht uur bij Oma’s Oude Woning zijn. Mevrouw Netjes wacht met smart op u.” “Ehhh, ja, ehhh… Ziet u, ik heb me verslapen. Ik ben nu onderweg in de auto. Ik geef mevrouw Netjes wel een belletje dat ik er nú aankom.”
“Met het toestel van mevrouw Netjes” “Mevrouw Netjes is momenteel in gesprek. Kan ik een boodschap aannemen?” “Nee hoor, dank u. Het komt nu wel goed…”
En zo toog ik vrijdag rond lunchtijd van mijn werk met het openbaar vervoer naar Oma’s Oude Woning voor de overdracht. We deden de deur open en ik schrok me een hoedje. Herman was dus niet langs geweest en het hele huis stond nog vol met oma’s spulletjes. Ik kon wel door de grond zakken. Daar stond ik dan, zwetend van de warmte en het reizen met het openbaar vervoer. Mevrouw Netjes was niet blij. Ik moest maar een busje huren en het hele huis zelf leeghalen. Het huilen stond me nader dan het lachen. Dat ging me nooit lukken.
Ik belde Herman op hoge poten. Die maakte zich er weer met een lulsmoesje vanaf: ja, onderweg naar Oma’s Oude Woning was zijn auto kapot gegaan en hij was nog steeds kapot. “Sorry hoor. Daaaaagggg…”
Eenmaal tot mijn positieven gekomen besloot ik dat mevrouw Netjes het heen en weer kon krijgen en bovendien ook nog eens door de grond kon zakken. Op zo’n korte termijn is niets te regelen. Uiteindelijk heb ik, bij gods gratie, kunnen afspreken dat wij het hele huis zaterdag leeg zouden halen, schoonmaken en dat ik vandaag om acht uur langs zou komen voor de overdracht.
Gelukkig wist mijn broer voor zaterdag een bestelbusje te regelen, maar vrijdagavond om acht uur werd hij gebeld dat het busje niet doorging. Ja, en vind dan maar eens op zo’n korte termijn een ander busje. Zaterdagochtend om half negen meteen een aantal verhuurbedrijven gebeld en bingo! Busje geregeld. Dus reden Wim, mijn broer, mijn zus en mijn zwager richting Amsterdam om met 34 graden Oma’s Oude Woning te legen. Een paar uur en vele liters zweet later waren we klaar. Vanmorgen de overdracht — en gelukkig, eindelijk geregeld. Maar niet dankzij Herman…